Uitgeverij Orthodox Logos

article_0090

Heilige Schrift over Oorlog en Militaire Dienst

De Heilige Schrift is de eerste en voornaamste bron van de leer van de Orthodoxe Kerk. Daarom is het voor hen die geïnteresseerd zijn in vragen over de houding van de christen tegenover oorlog en militaire dienst vanzelfsprekend zich te wenden tot het Woord van God.

Wij zijn ervan overtuigd dat zowel de Heilige Schrift als de heilige vaders van de Kerk uitputtende antwoorden geven op fundamentele vragen in verband met de geestelijke problemen van het moderne leger. En deze antwoorden kunnen als leidraad dienen voor orthodoxen die op de een of andere manier met militaire dienst verbonden zijn.

Het is bijzonder belangrijk om in gedachten te houden wat de Heilige Schrift zegt over militaire dienst, vooral in onze tijd waarin de opvattingen zich in de samenleving verspreiden over het feit dat het voor christenen verboden is deel te nemen aan oorlog en dienst te nemen in het leger of zelfs de wapens op te nemen. Tegelijkertijd worden pogingen ondernomen om dergelijke opvattingen te rechtvaardigen met verwijzingen naar de Bijbel.

Laten wij nagaan wat de Schrift zegt over oorlog en militaire dienst, uitgaande van de uitleg die de heilige vaders aan de teksten van de Schrift hebben gegeven.

Over de oorlog

Toen zei Jezus tot hem: “Leg uw zwaard terug op zijn plaats, want allen die het zwaard opnemen, zullen door het zwaard omkomen” (Mattheüs 26:52).

Dit citaat wordt het vaakst aangehaald ter ondersteuning van het idee dat christenen niet in het leger mogen dienen en in oorlogen mogen vechten. Hoewel er geen sprake is van oorlog en de Verlosser zich niet richt tot een soldaat, maar tot een burger (zoals wij nu zouden zeggen), wat apostel Petrus ook was, kunnen de woorden over “allen die het zwaard opnamen” met een zeker begrip op alle krijgers worden toegepast. Maar is dit hoe de heilige vaders het begrepen?

Hier, dat lezen wij bij de H. Johannes Chrysostomus: “Zo heeft Hij de leerlingen om twee redenen tot rust willen brengen: ten eerste door te dreigen met straf voor hen die een aanval beginnen: want allen die een zwaard hebben genomen, zullen door een zwaard omkomen; en ten tweede, dat Hij het vrijwillig ondergaat.” Zoals we kunnen zien, volgens de gedachte van de heilige vader, verwijzen deze woorden naar hen die het bloedvergieten beginnen en dus niet naar hen die gedwongen worden zichzelf te verdedigen.

Als we deze zin letterlijk opvatten, komen we op het punt dat we hem verwerpen, want het is bekend dat niet iedereen die een wapen oppakt, door een wapen sterft. Daarom is het belangrijk te weten door welk zwaard, zoals de Hiëronymus het uitlegt, de initiator van de aanval zal omkomen – “dat zwaard van vuur, dat voor het paradijs wordt getrokken (zie: Genesis 3:24) en het geestelijke zwaard, dat onder de gehele wapenuitrusting van God wordt beschreven (zie: Efeziërs 6:11-17).”

De eerbiedwaardige Theodore Studit schrijft: “Het is niet eigen aan de Kerk van God om zich te wreken door geseling, verbanning en gevangenneming. Want de wet van de Kerk bedreigt niemand met een mes, een zwaard of een gesel. Want, zegt de Schrift, allen die het zwaard opnemen, zullen door het zwaard omkomen (Mattheüs 26:52). Maar omdat al deze middelen toch zijn aangewend, is als uit het diepste van de hel een zuil van het kwaad uitgebarsten – deze Christologische ketterij, die alles vernietigt.” Dat wil zeggen, de H. Theodore meent dat deze woorden geen betrekking hebben op de mensen in het algemeen, maar op de Kerk en haar bisschoppen, die de opvolgers zijn van de apostelen, die van Christus het gebod van het zwaard hebben gehoord. Daarom kan de Kerk ketters niet vervolgen door middel van lijfstraffen en lichamelijke executies. Dit is een zonde. En daar er niet lang voor die tijd een val in deze zonde was geweest ten opzichte van de ketters-pravlicianen, was er in de Kerk, in de gedachte van de heilige, als straf een schisma veroorzaakt over het vierde huwelijk van de keizer, wat onder andere leidde tot een vervolging van de orthodoxen.

Het is ook de moeite waard de woorden van de zalige Theophylact van Bulgarije aan te halen: “Petrus was degene die het zwaard trok, zoals Johannes zegt (zie: Johannes 18: 10). En hij had het zwaard bij zich, daar hij juist tevoren het lam had geslacht, dat bij het avondmaal werd gegeten. Wij veroordelen Petrus niet, want hij deed het uit liefde, niet voor zichzelf, maar voor de Meester. Maar de Heer, die hem traint voor het evangelieleven, draagt hem op het zwaard niet te gebruiken.”

Hoewel de heilige vaders in hun interpretaties het grijpen naar de wapens en het uitbreken van bloedvergieten afkeuren – wat niet meer dan normaal is – heeft niemand van hen deze woorden opgevat als een verbod op militaire dienst voor christenen in het algemeen. Een dergelijke interpretatie wordt alleen gevonden bij Tertullianus, maar hij was niet alleen geen heilige, hij was in feite een ketter. En dat een opvatting als de zijne niet eigen was aan de vroege Kerk volgt uit aanwijzingen van vrome christelijke strijders die vóór Tertullianus onder keizer Marcus Aurelius beroemd waren geworden.

Tegen de vertegenwoordigers van het protestantse gedachtegoed, die erop staan de hierboven geciteerde woorden van het Mattheus Evangelie zo te verstaan en het gezag van de vaders niet erkennen, kunnen wij het volgende inbrengen: als zij de woorden “Allen die het zwaard opnemen, zullen door het zwaard omkomen” letterlijk verstaan, laten zij dan ook de woorden van de Verlosser letterlijk verstaan: “Veronderstelt niet dat Ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar een zwaard” (Mattheus. 10, 34). 10: 34) en vooral het volgende fragment van het Evangelie: “Hij zei dan tot hen: maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die er geen heeft, die verkoopt zijn kleed en koopt een zwaard… En zij zeiden: Heer! Zie hier twee zwaarden. En Hij zei tot hen: Het is genoeg.” (Lukas 22: 36, 38). En als protestanten weigeren deze woorden letterlijk te verstaan, maar er de voorkeur aan geven de gegeven fragmenten geestelijk te interpreteren, dan is het logisch om de woorden die tot apostel Petrus werden gezegd ook geestelijk te verstaan.

Soms probeert men de pacifistische doctrine te rechtvaardigen door te verwijzen naar het gebod “Gij zult niet doden” (Exodus 20:13). A. Baidukov schreef hierover goed: “Oorlog als nooit en te nimmer onaanvaardbaar beschouwen onder verwijzing naar het gebod “Gij zult niet doden”, is onmogelijk, daar zulk een ontkenning in strijd zou zijn met de Heilige Schrift. God gaf Mozes niet alleen het gebod “Gij zult niet doden”, hij gaf hem ook instructies over hoe hij oorlog moest voeren om zijn vijanden te verslaan (Zie: Exodus 21:22). Vaak gaf God zelf de Israëlieten de opdracht oorlogen te beginnen tegen andere volken (zie: 1 Sam. 15: 3; Nab. 4: 13) en God legde ook de doodstraf op voor vele misdaden (zie: Ex. 21: 12, 15; Lev. 20: 11, enz.).

In de oudheid voerde het uitverkoren volk van God regelmatig oorlogen met de buurvolken. Onder de wet van Mozes moest iedere Israëliet, behalve de Levieten, wapens dragen (zie Numeri 1:3; 2:33; 26:2). De Heilige Schrift bevat vele verzen waarin staat dat de Heer zelf de militaire dienst zegende, de profeet Mozes leerde welke militaire formaties er in het volk Israël moesten zijn, hoe ze moesten worden ingezet en door wie ze moesten worden bestuurd.

“In het Oude Testament vinden we veel instructies over hoe oorlog te leren (zie: Richteren 3:2), hoe ten strijde te trekken (zie: Numeri 10:9) en wat te doen na de oorlog (zie: Numeri 3:19; Deuteronomium 31:19). Oorlog was een noodzaak voor de Joden omdat de door hen omringende heidense volkeren voortdurend oorlog voerden met hun buren. De mogelijkheid om vreedzaam samen te leven met afgodische en diep verdorven volken was bovendien een groot gevaar voor de Joden. Daarom worden dergelijke oorlogen in de Schrift de oorlogen des Heren genoemd (zie 1 Koningen 17: 47; 2 Kronieken 20: 15) omdat zij in zedelijk opzicht veel minder slecht waren dan opruiing tot afgoderij. Daarom gebood God Zijn volk: “Neem wraak op de Midjanieten voor de kinderen van Israël en daarna zult gij tot uw volk terugtrekken” (Num. 31:2); “Maar van de steden dezer volken, die u de Heer, uw God, ten erve geeft, zult gij niets laten leven dat adem heeft. Maar gij zult ze ganselijk verbannen: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, gelijk als u de Heer, uw God, geboden heeft” (Deuteronomium 20:16-17); “En de Heer zond u op uw weg, zeggende: “Ga heen en vervloek de goddeloze Amalekieten en strijd tegen hen totdat u hen vernietigd hebt” (1 Koningen 15:18).

“Er is een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten, een tijd om oorlog te voeren en een tijd om vrede te sluiten” (Prediker 3:8). Deze uitdrukking lijkt een duidelijke plaats te geven aan oorlog in de context van onze gevallen wereld.

Maar als we kijken naar de interpretaties van de heilige Vaders, zien we dat de heilige Gregorius van Nyssa deze plaats interpreteert als een verwijzing naar geestelijke oorlogvoering die iedere gelovige moet voeren tegen hartstochten en zonden: “Als wij de goedheid van liefde en haat hebben begrepen, laten wij dan de een liefhebben en de ander bestrijden. Want Prediker zegt: “Een tijd voor oorlog en een tijd voor vrede” (Prediker 3:8). U ziet de horde van verzettende hartstochten… Kijk naar de verschillende voorbereidingen voor de strijd, hoe het verzettende leger op duizend plaatsen dreigt je stad aan te vallen, spionnen stuurt, verraders aantrekt, voorposten en hinderlagen regelt, voorwaarden van bijstand stelt, oorlogswapens klaarmaakt, slingers, kanonniers, ruiters, en al dit soort krachten werken tegen je. U weet natuurlijk niet wat er gezegd wordt, u weet wie een verrader is, wie een spion is, wie een hinderlaag is, wie een musketier is, wie een schutter is en wie een ruitercompagnie is. Met dit alles in gedachten moeten wij ons bewapenen, onze bondgenoten oproepen, de mensen onder ons bevel verkennen, zien of iemand de vijand helpt, onderweg hinderlagen leggen, ons met schilden beschermen tegen aanvallen, ons indekken tegen het handgevecht en de naderingsroute van de cavalerie naar ons uitgraven. En sommige dienen de muren van vestingwerken te verstevigen zodat deze niet door kanonnen geschud worden … Maar om dit inzicht te verduidelijken, zeg ik aan u: dit is de eerste toelating van de verleiding, die de oorsprong van de hartstocht is. Dit is de spion van onze krachten! Zo is ons een aanblik voorgehouden die lust in ons kan opwekken. Hiermee test de vijand je kracht, of die sterk is en klaar is om in opstand te komen of zwak en klaar is om zich over te geven. Want indien gij geen gebogen uiterlijk op u hebt genomen, en het verstandsvermogen in u niet is verdreven door wat gij hebt gezien, maar nederig de ontmoeting verdraagt, doet gij de spion terstond schrikken, door hem te tonen over wat voor een compagnie van met speren gewapende krijgers, dat wil zeggen de schutterij van gedachten, u beschikt… Wij zullen ook in staat zijn deze menigte van slingers, schutters en lansiers te verkennen; want overtreders, mensen die prikkelbaar en kwaadwillig zijn en zelf aanstoot geven, in plaats van pijlen of stenen, schieten en vegen met sarcastische woorden en passeren zonder wapenrusting en slaan achteloos in het hart… Als wij dus de vijandige horde begrepen hebben, dan is het tijd om te dirigeren en te vechten.”

De Heer Jezus Christus zelf heeft gewaarschuwd dat de gehele tijd van het aardse bestaan van de mensheid gepaard zal gaan met oorlogen: “Ook hoort men van oorlogen en geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet ontsteld, want al deze dingen moeten geschieden, maar het einde is nog niet gekomen” (Mattheüs 24:6).

De heilige Johannes Chrysostomus schrijft dat “hij spreekt over die oorlogen, die in Jeruzalem moesten zijn”, dat wil zeggen dat hiermee Romeinse veldtochten in Judea in de 1e   eeuw voor de pacificatie van de opstandige Joden worden bedoeld. Andere vaders meenden echter dat het mogelijk was deze woorden in verband te brengen met gebeurtenissen aan de vooravond van het einde van de wereld. Zo schrijft de heilige Theofilact van Bulgarije: “Zoals degene die baart eerst pijn lijdt en dan baart, zo zal dit tijdperk het toekomstige tijdperk pas baren na onrust en oorlogen.”

De uitleg van deze woorden, gegeven door de monnik Justin (Popovich), verdient bijzondere aandacht: “Zondigheid en boosaardigheid en daardoor eigenliefde, veroorzaken oorlogen tussen mensen, tussen naties en tussen koninkrijken. Vanwaar komt gij vijandschap en twist, is het niet van daar, van uw begeerten, die in uw leden strijden? (Jakobus 4:1) Woedend op Christus, op het Evangelie van Christus, op de Kerk van Christus, op het volk van Christus, zal de zonde aan het einde van de wereld de hevigste oorlogen tussen mensen en naties gebruiken om Christus en zijn zwakheid te schande te maken. En de mensen van weinig geloof zullen vragen: hoe kan dan Christus God, wanneer Zijn leer niet kan zegevieren over de wereld, oorlogen uitbannen, opdat er vrede zal heersen onder de mensen en de volkeren? De angsten en verschrikkingen van oorlogen zullen, volgens de dialectiek van de regisseur van oorlogen, door Christus-volgelingen worden gebruikt als bewijs van de zwakheid van Christus en het christendom. Dit zal velen in verleiding brengen. De Heiland waarschuwt Zijn volgelingen hiervoor: ziet toe dat gij niet ontmoedigd wordt, want alle dingen moeten geschieden. Moeten? Ja, want het kwaad vermenigvuldigt zich onder de mensen en woedend zal het zich openbaren door kannibalistische oorlogen… De Zaligmaker spreekt over oorlogen als iets wat Zijn volgelingen niet zullen veroorzaken, maar waarvan zij het slachtoffer zullen worden. Zij mogen geen oorlogen veroorzaken; als oorlogen hen overkomen, moeten zij die bestrijden met hun Evangeliedeugden: geloof, gebed, geduld, zachtmoedigheid, barmhartigheid, liefde, vasten en de rest. Want op deze wijze wordt de oorlog tegen de oorlog, tegen de zonde, tegen de duivel gevoerd op de wijze van het Evangelie. Onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de heersers, tegen de machtigen, tegen de heersers van de duisternis van deze tijd (Ef. 6:12).”

Over beloften gesproken, in het Oude Testament staat de belofte van de komende overwinning van oorlogen: “Te dien tijde zal Ik voor hen een verbond sluiten met het gedierte des velds en met de vogels van de lucht, en met het kruipend gedierte der aarde; en Ik zal de boog en het zwaard en de oorlog uit dat land verdelgen en hun veiligheid geven” (Hos. 2:18).

De heilige Hiëronymus van Stridon ziet dit als een aanwijzing voor de verzoening in Christus van de niet-Joodse en de Joodse bekeerlingen: “En na de verzoening van alle dingen zullen de boog, het zwaard en de oorlog vernietigd worden. Want er zullen geen wapens nodig zijn als er geen krijgers zijn. Israël zal met de heidenen verenigd worden en de woorden van Deuteronomium zullen in vervulling gaan: verblijden de volken zich met Zijn volk (Deuteronomium 32:43), dat wil zeggen in de Kerk waarin Hij de macht van bogen, schilden, zwaarden en oorlog gebroken heeft; en na het breken en uitroeien daarvan zullen de gelovigen veilig slapen en rusten bij één herder.” De zalige Theodoritus van Cyrus paste deze belofte ook toe op de Kerk, maar meer op het leven van haar kinderen in de komende tijd als een van de goede dingen die komen gaan.

En de heilige Cyrillus van Alexandrië meende dat deze belofte vervuld was in de tijd van de christelijke kerk, maar hij vatte haar op als zijnde vervuld door de militaire dapperheid van de Romeinse legers: “Wanneer Ik, zegt de Heer, de namen van de afgoden van de aarde zal hebben weggeslagen, dan zal Ik vrede sluiten met alle woeste en barbaarse volken. Dan zullen de rampen, veroorzaakt door vijanden en oorlog, ophouden en zij zullen zonder vrees leven. Ik zal de wapens en het zwaard verbrijzelen, en we zien dat dit inderdaad is uitgekomen. Want toen de glorierijkste Romeinse bevelhebbers de heerschappij over allen hadden bereikt en de onderwereld hadden onderworpen (zoals God hun deze heerlijkheid op voorzienbare wijze had geschonken), toen konden de Perzen zich alleen nog maar om hun staat bekommeren en hielden ook de aanvallen van andere barbaarse volkeren op landen en steden op.”

Als hoofdoorzaak van de oorlogen die tegen de gelovigen ontstaan, wijst de Heilige Schrift op vele plaatsen op hun grove overtredingen tegen God en hun verbreking van trouw aan Hem. Oorlog is een wraak op de mensen voor de zonden van de natie, het meest van al voor de zonde van afvalligheid.

Hier is hoe de heilige Devorah erover spreekt in haar lied: “Zij hebben nieuwe goden gekozen, daarom is er oorlog bij de poort” (Richteren 5:8), en hetzelfde wordt door de Heilige Geest verkondigd door Judith: “Toen zij afweken van de weg die Hij hun wilde wijzen, leden zij in vele oorlogen een zeer grote nederlaag, werden gevangengenomen in een vreemd land, de tempel van hun God werd verwoest en hun steden werden door de vijand ingenomen” (Judith 5:18).

En in het boek van de profeet Jesaja lezen we: “Zij wilden niet in Zijn wegen wandelen en gehoorzaamden Zijn wet niet. En Hij heeft over hen uitgestort het toornige van Zijn gramschap en het toornige van de oorlog; het omringde hen met vlammen van alle kanten, maar zij zagen het niet, en het brandde in hun harten, maar zij begrepen het niet” (Jesaja 42:24-25). De heilige Johannes Chrysostom zegt over deze regels: “Zie, God openbaart duidelijk dat Hij anderen opzettelijk straft, maar Hijzelf ondergaat van niemand kwelling.”

God helpt de rechtvaardigen in oorlogen

Maar als gelovigen trouw zijn aan God en de vijand is tegen hen gekomen, dan helpt de Heer hen altijd om te winnen, ook al is de vijand vele malen in de meerderheid. Oorlog wordt dan een manier om de macht van God te tonen en om de Heer en het ware geloof te verheerlijken, zelfs tegenover vijanden die niet-christenen zijn.

Deze gedachte werd levendig uitgedrukt tijdens Davids twistgesprek met Goliath, toen, nadat de Filistijnse held de toekomstige koning van Israël had vervloekt in de naam van zijn goden, antwoordde David de Filistijn: “Jullie komen tegen mij met zwaard en speer en schild, maar ik kom tegen jullie in de naam van de Heer der Savaof, de God van de legers van Israël, die jullie hebben beledigd; nu zal de Here u in mijn hand overleveren en ik zal u doden, en uw hoofd van u afnemen, en de lijken van het leger der Filistijnen geven aan het gevogelte des hemels en aan het gedierte der aarde; en de ganse aarde zal weten dat er een God is in Israël; en dit ganse leger zal weten dat het niet met zwaard en speer is, dat de Here redt; want dit is de oorlog des Heren en Hij zal u in onze handen overleveren.” (17:45-47).

En zo geschiedde, en koning David prees de Heer er achteraf voor: “Want Gij hebt mij met oorlogskracht omgord, en hebt hen die tegen mij in opstand komen onder mijn voeten gelegd” (Psalm 17:40).

En zo spreekt de profeet Zacharia over de godvruchtige strijders in een rechtvaardige oorlog: “En zij zullen zijn als helden die [vijanden] in de oorlog vertrappen als straatvuil en strijden omdat de Here met hen is, en zij zullen de ruiters te paard beschamen” (Zach. 10:5).

Een nederig besef van eigen kracht en bijdrage aan de overwinning wordt in de Schrift voorgesteld als het enige juiste voor de gelovige strijder, “want niet uit de menigte van het leger komt de overwinning in de oorlog, maar uit de hemel komt kracht” (1 Mac. 3: 19).

(1 Mac. 3:19) Wat in algemene zin wordt gezegd over het hele leger, geldt ook voor iedere soldaat afzonderlijk. God houdt Zijn getrouwen: “In tijden van hongersnood zal Hij u van de dood verlossen, en in oorlogen van de hand des zwaards” (Job 5:20).

Over militaire dienst

De protestanten die zeggen dat God christenen verbiedt deel te nemen aan een wettige oorlog of zelfs maar in het leger te dienen, kunnen geen antwoord geven op de vraag waarom niets in de Bijbel dit rechtstreeks en duidelijk zegt. Om hun ideeën te rechtvaardigen, moeten zij in hun eigen interpretatie bijbelpassages aanpassen, terwijl deze passages zelf niets slechts zeggen over het militaire optreden.

Zo wordt in het Nieuwe Testament gezegd over de hoofdman die de Heer verzocht zijn knecht te genezen en die van de Verlosser de hoogste lof ontving: “Ik zeg u, dat ik in Israël zulk een geloof niet gevonden heb” (Lukas 7:9). Een ander voorbeeld wordt gegeven in de Schrift: “Een man, Cornelius genaamd, een centurio van het regiment dat Itali heette, vroom en God vrezende… hij zag duidelijk in een visioen, omstreeks het negende uur van de dag, een engel Gods” (Handelingen 10:1-3). En tot de eerste en de tweede centurio spraken noch de Heer, noch de apostelen een woord tegen hun militaire dienst, noch beveelden zij hen die op te geven. Evenzo hoorden de soldaten aan die tot Johannes de Doper kwamen en vroegen: “Wat zullen wij doen?” in hun antwoord niet het bevel om te deserteren, maar een oproep om zich tijdens hun diensttijd te onthouden van zonde: “Beledig niemand, belaster niemand en wees tevreden met je loon” (Lucas 3:14). Theofylact schrijft dat de heilige Voorloper “de soldaten vermaant niet te stelen, maar zich tevreden te stellen met het eerbetoon, dat wil zeggen het loon dat de koning gewoonlijk geeft. Zie hoe Johannes het gewone volk, als de goddelozen, overhaalt om goed te doen, dat wil zeggen aan anderen te geven, en hij de tollenaars en soldaten overhaalt om zich van slechte dingen te onthouden. Want dezen waren nog niet bekwaam, konden niets goeds doen, maar het was hun genoeg het kwade niet te doen.”

Tenslotte heeft de apostel Paulus, sprekende over geloofsuitingen, de rechtvaardige mannen van het Oude Testament opgesomd en hen uitdrukkelijk geprezen om hun militaire heldendaden: “En wat zal ik nog meer zeggen? Ik zal geen tijd hebben om te vertellen over Gideon, Barak, Simson en Jefta, David, Samuël en (andere) profeten die door het geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid verrichtten, beloften verkregen… machtig waren in de oorlog en vreemde legers verdreven” (Hebreeën 11:32-34).

De monnik Ephrem de Syriër geeft een gedetailleerde uiteenzetting van de gebeurtenissen waarop de apostel doelt: “Maar om niet alle geloofswerken van de rechtvaardigen uit het Oude Testament in detail op te sommen, wijst hij ze daarna in het kort aan. En wat meer, zegt hij, zal ik zeggen, want mij ontbreekt de tijd om te vertellen over Gideon, dat wil zeggen over het geloof van Gideon, die met driehonderd man tienduizend Midjanieten versloeg (zie: Richteren 7:1, 7) en Barak, die door zijn geloof het leger van Sisar versloeg (zie: Richteren 4:7) en Simson, die door zijn geloof duizend man doodde met de kaak van een ezel (zie: Richteren 15:15, 15). Richteren 15:15) en Jefta, die door zijn geloof 22 steden van de Ammonieten verwoestte (zie: Richteren 11:33) en David, die door zijn geloof Goliath versloeg (zie: 1 Samuël 17: 4) en Samuël, die door zijn geloof de Filistijnen versloeg (zie: 1 Samuël 7:10) en andere profeten.” Zo zien wij dat “in de ogen van de apostel militaire heldendaden geen zondige en God-onvriendelijke daden zijn, maar veeleer werken van geloof, in de vervulling waarvan de Heer zelf kracht heeft gegeven aan hen die op Hem vertrouwen en die hun overwinningen aan zijn naam opdragen.”

De Schrift geeft op vele plaatsen instructies voor een generaal die op het punt staat oorlog te voeren: “De wijze man is sterk en de verstandige man versterkt zijn kracht. Voer daarom uw oorlog met overleg en succes door vele raadgevingen” (Spreuken 24:5-6); “Door raadgevingen worden de inspanningen gesterkt, en na raadgevingen wordt oorlog gevoerd” (Spreuken 20:18), “Raadpleeg niet … degene die oorlog vreest” (Sirach 38:11).

De noodzaak voor de bevelhebber om toekomstige veldtochten weloverwogen te plannen, de voors en tegens af te wegen en te bespreken in de krijgsraad, wordt ook door de Heer genoemd, die het als voorbeeld neemt voor een gelijkenis: “Welke koning, die oorlog gaat voeren tegen een andere koning, gaat niet zitten en beraadslaagt tevoren of hij met tienduizend man tegen hem kan opkomen met twintigduizend man?” (Lukas 14: 31).

De heilige Gregorius de Evangelist zegt over dit gezegde: “De koning tegen de koning, gelijk tegen gelijk, trekt ten strijde en als hij echter weet dat hij geen weerstand kan bieden, zendt hij een gezantschap en vraagt om vrede. Met welke tranen moeten wij dan om genade smeken voor onszelf, die bij deze verschrikkelijke beproeving in het oordeel met onze koning zullen verschijnen, niet gelijken met gelijken, maar van wie zowel het fortuin als de zwakheid, en alles waar wij van afhankelijk zijn, inferieur zijn?”

Het probleem van de lage salarissen voor officieren en beroepsmilitairen wordt ook in de Schrift aan de orde gesteld, waar deze toestand ondubbelzinnig wordt veroordeeld: “Mijn hart is bedroefd over twee … als een soldaat armoede verdraagt, worden wijze mannen verwaarloosd” (Sirach 27:24-25).

Apostel Paulus spreekt ook over de noodzaak van de staat om soldaten te ondersteunen: “Welke soldaat dient ooit op eigen kosten?” (1 Cor. 9: 7).

Vanwege eigenschappen als standvastigheid en het weigeren van wereldse daden bij het eerste gebod, wordt de soldaat als beeld genomen van een christen: “Zo verdraagt het lijden als een goede soldaat van Jezus Christus” (2 Tim. 2: 3), “Geen soldaat bindt zich met wereldse daden om de commandant te behagen” (2 Tim. 2: 4).

De Schrift spreekt ook over de geestelijke voorbereiding van rechtschapen soldaten op de strijd. In de eerste plaats is het de juiste houding ten opzichte van God: “Indien een regiment tegen mij zal vallen, zo zal mijn hart niet bevreesd zijn; indien een oorlog over mij komt, zo zal ik hopen” (Psalm 26:3); “Zij hopen op wapens en op moed, maar wij hopen op de Almachtige God, die met één slag zowel hen die tegen ons komen als de gehele wereld ten val kan brengen” (2 Macc. 8:18). En ten tweede in intens gebed vóór de strijd: “En de schare werd verzameld om zich gereed te maken voor de oorlog en te bidden en te vragen om barmhartigheid en medelijden” (1 Mac. 3:44).

“Er zijn enkele kwesties van geestelijke zuiverheid die bijzonder relevant zijn voor de troepen: de kwestie van kuisheid, zuiverheid van taal en gebed. “Gij zult geen overspel plegen”, was het gebod dat de Heer aan Mozes gaf op de berg Sinaï… Toen de Joodse soldaten onder leiding van Mozes de heidense volken versloegen, besloten hun vijanden dat als de soldaten zondigden, de genade zou wegvallen, God de Joden niet langer zou helpen en zij verslagen zouden kunnen worden. Dus stuurden ze corrupte vrouwen het leger in. De soldaten vielen met hen, de genade vertrok uit het leger der Joden en zij werden in deze strijd verslagen.

In verband met de zuiverheid van het lichaam moet worden gesproken over de zuiverheid van de taal. De kwestie van de zuiverheid van meningsuiting confronteert de strijders met haar onflatteuze strengheid. Iedereen weet wat sterke soldatentaal is. Zelfs officieren zijn niet preuts over hen. De Schrift veroordeelt deze zonde: “De tong is een kleine haan, maar hij doet veel. Zie, een klein vuur, hoeveel stof het doet ontbranden! En de tong is een vuur, een bedekking van ongerechtigheid; de tong … verontreinigt het gehele lichaam en ontvlamt de kring van het leven, zelf ontvlamd door Gehenna … Met haar zegenen wij God en de Vader en met haar vervloeken wij de mensen die naar de gelijkenis van God geschapen zijn. Uit dezelfde mond komt zegen en vloek; dat mag niet zo zijn, mijn broeders”, schrijft de heilige apostel Jacobus (Jacobus 3: 5-6, 9-10).

De Schrift leert barmhartigheid voor de verslagen en ontwapende vijand en waarschuwt tegen gevoelens van bitterheid en leedvermaak: “Verheugt u zich niet als uw vijand valt en laat uw hart zich niet verblijden als hij struikelt. Anders zal de Heer het zien en het zal Hem niet welgevallig zijn…” (Spreuken 24: 17-18). Worstelend met de zonde, is het belangrijk om er geen deel van te worden, om niet te worden als het kwaad. Daarom schreef Apostel Paulus: “Wreekt u niet, geliefden, maar geeft plaats aan de toorn van God… Als uw vijand honger heeft, geeft hem dan te eten en als hij dorst heeft, geeft hem dan te drinken; als u dat doet, zult u kolen van vuur op zijn hoofd verzamelen. Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede” (Romeinen 12:19-21). Met deze woorden wordt de noodzaak van barmhartige behandeling van de gewonden en gevangenen onderbouwd.

Reeds in de oudtestamentische tijd wordt de deelname van priesters aan de oorlog veroordeeld: “In die tijd sneuvelden de priesters in de strijd, die beroemd wilden worden om hun dapperheid en roekeloos ten strijde trokken” (1 Macc. 5: 67). In deze zin kan men ook een aanwijzing zien voor een ijdele stemming vóór een veldslag als één die tot een nederlaag leidt.

Tot slot is het zinvol een ander gezegde aan te halen, hoewel dit meer van toepassing is op wetshandhavers dan op soldaten en officieren van het leger. Toch is het de moeite van het overwegen waard, vooral in de context van het onderwerp van de toelaatbaarheid van het gebruik van het “zwaard”, dat wil zeggen wapens: “De chef is Gods dienaar, voor u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, weest dan bevreesd, want hij draagt het zwaard niet tevergeefs; hij is Gods dienaar, een wreker ter bestraffing van hij die kwaad doet” (Rom. 13, 4). Hieronder citeren wij uit de uitleg van de Heilige Vaders bij deze woorden.

De Eerwaarde Efraïm de Syriër: “Want hij is de dienaar van God, omdat door hem de wil van God geschiedt voor rechtvaardigen en goddelozen. Maar indien gij kwaad doet, weest dan bevreesd en doet het niet, want niet zonder doel is met een zwaard omgord.”

Prelaat Johannes Chrysostomus: “Velen hebben aanvankelijk de deugd geleerd omwille van de leiders en hebben zich er vervolgens aan gehouden uit vrees voor God. De toekomst in plaats van het heden handelt over mensen die onbeleefder zijn. Hij, die door middel van zowel vrees als eer de zielen van de mensen zo voorbereidt, dat zij in staat zijn het woord van de leer te begrijpen, wordt met recht Gods dienaar genoemd… U moet gehoorzamen, zegt (de apostel), niet alleen omdat u zich, als u niet gehoorzaamt, tegen God verzet en u door God en de mensen grote ongelukken over u afroept, maar ook omdat het opperhoofd, als hoeder van de vrede en het burgerlijk welzijn, uw grootste weldoener is.”

De zalige Theofylact: “Het is dus niet de heerser die ons angst inboezemt, maar onze ondeugden, waardoor ook het zwaard van de heerser, dat wil zeggen de macht om te straffen, wordt voortgebracht. Het opperhoofd, zegt hij, omgordt zich niet tevergeefs met het zwaard, maar om de goddelozen te straffen.”

Samenvattend herhalen wij: pogingen om te bewijzen dat de Bijbel oorlogsdienst in principe veroordeelt en voor gelovigen verbiedt, zijn ongegrond; zij berusten op willekeurige en vergezochte interpretaties van sommige Schriftregels, terwijl andere volledig worden genegeerd.

De Heer Jezus Christus waarschuwde ervoor dat het hele aardse bestaan van de mensheid gepaard zou gaan met oorlogen.

Als hoofdoorzaak van oorlogen die tegen gelovigen ontstaan, verwijst de Schrift op vele plaatsen naar hun grievende overtredingen tegen God en verbreking van trouw aan Hem. Maar als gelovigen trouw zijn aan God en hun vijanden zijn tegen hen gekomen, dan helpt de Heer hen altijd om te winnen en zo’n oorlog wordt een manier om de macht van God te tonen en de Heer en het ware geloof te verheerlijken. Daarom waren er in het Oude Testament vele oorlogen, waarvan sommige werden gevoerd op bevel van God en door de rechtvaardige heiligen.

Ook in het Nieuwe Testament worden de soldaten herhaaldelijk geprezen, zonder dat hun dienst wordt veroordeeld of dat hun wordt bevolen die op te geven. Ook de heldendaden van de militaire leiders uit het Oude Testament worden verheerlijkt.

De Schrift instrueert de generaal die zich voorbereidt om oorlog te voeren op vele plaatsen en spoort hem aan de toekomstige veldtocht weloverwogen te plannen, de voors en tegens af te wegen en te bespreken in een krijgsraad. De Schrift handelt ook over de soldij van de soldaten en spoort aan tot militaire standvastigheid en tot het zich onthouden van wereldse zorgen omwille van de dienst.

De Schrift spreekt ook over de geestelijke voorbereiding van soldaten op de strijd, die bestaat in de eerste plaats uit het juist richten van de gedachten op God en in de tweede plaats uit intens gebed.

Aartspriester Alexander Grigoriev

6 mei 2008

Winkelwagen
Uitgeverij Orthodox Logos