“Gelukkig wie nederig van hart zijn, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.” (Mt 5:3)
Eufrosynus was een heel gewone jongen. Hij kon niet zo goed leren en werd erom gepest. Toen hij op een dag hielp op de akkers van een klooster, neuriede hij de liedjes van de kerk – en de monniken zongen vrolijk mee. Zo begon een leven dat niemand had zien aankomen.
Als kok van het klooster sneed Eufrosynus de groenten, stookte hij het vuur en maakte hij alles weer schoon. Naar de diensten kon hij niet, want hij stond de hele ochtend in de keuken en zijn kleren roken naar linzen of naar vis. Maar hij vond het niet erg. In de stille keuken kon hij de hele dag met God praten, en dat deed hij het liefste van alles.
Terwijl de monniken met elkaar discussieerden over de vraag wat het koninkrijk van God nu eigenlijk is, leefde de kok er allang in. Pas toen een van de priesters een bijzondere droom kreeg – en de volgende ochtend een tak met appels naast zijn bed vond – begon iedereen dat te begrijpen.
Dit verhaal gaat over hoe een heel gewone jongen de weg vindt naar Gods koninkrijk, door nederig zijn broeders te dienen. Het is een verhaal over dankbaarheid en over de stille vreugde van een eenvoudige kok die niets liever doet dan de hele dag met God praten. Een heiligenleven, liefdevol naverteld voor kinderen en prachtig geïllustreerd.











