Gratis verzending in de Benelux vanaf € 50 Mijn account

Blog

Het vasten in de Orthodoxe Kerk

Vasten hoort tot de oudste gebruiken van de Kerk. Het begint al in het paradijs: het eerste gebod dat de mens kreeg, was een gebod om iets niet te eten. Christus zelf vastte veertig dagen in de woestijn voordat Hij begon te prediken, en toen de leerlingen een bezeten jongen niet konden genezen, zei Hij hun dat dit soort alleen uitgaat door gebed en vasten. De apostelen vastten voordat zij Paulus en Barnabas uitzonden. De Kerk heeft dat nooit losgelaten. Wie een orthodoxe kalender openslaat, ziet dat bijna de helft van de dagen van het jaar vastendagen zijn.

Waarom vasten

Vasten is geen dieet en geen prestatie. Het is ook geen betaling: God heeft onze honger niet nodig. De Vaders noemen het een oefening, en het woord dat zij gebruiken, askese, betekent gewoon training. Wie vast, leert zijn wil te buigen in het kleinste, bij het eten, drie keer per dag. Wie dat kan, kan meer. Wie het niet kan, merkt dat ook, en die ontdekking is al winst: zo zwak is de mens, en zo zeer heeft hij Gods hulp nodig.

Daarom staat vasten in de Kerk nooit los van gebed en van barmhartigheid. Een oud woord van de Vaders zegt dat een vasten zonder aalmoes een lamp zonder olie is, en dat wat de buik uitspaart, aan de arme toekomt. Het lichaam eet minder opdat het hart ruimte krijgt: voor het gebed, voor de Schrift, voor de naaste die aandacht nodig heeft. Wie vast en ondertussen zijn huisgenoten prikkelbaar bejegent, heeft niet gevast; hij heeft zich alleen gevoed met zijn eigen slechte humeur.

Wat men laat staan

De regel van de Kerk is eenvoudig, al zijn de uitzonderingen talrijk. Op een vastendag eet men geen vlees, geen zuivel en geen eieren. Op strengere dagen ook geen vis, en in de kloosters geen olie en geen wijn. Op de zaterdagen en zondagen van de vastentijden wordt de regel verlicht: dan zijn wijn en olie toegestaan. Op enkele feesten binnen de vasten, zoals Maria Boodschap en Palmzondag, is vis toegestaan. Wie het precies wil weten, kijkt op de kerkelijke kalender; die geeft het per dag aan.

In zijn strengste vorm is de regel een kloosterregel. Zij is opgeschreven voor monniken die niets anders te doen hebben dan bidden en werken. Gezinnen, zieken, zwangere vrouwen, kinderen, reizigers en wie zwaar werk doet, houden de regel naar hun kunnen. Dat is geen toegeeflijkheid van de laatste jaren; het is de praktijk van eeuwen, en de priester bij wie iemand biecht, is degene die er de maat voor aangeeft. Beter een klein vasten dat wordt volgehouden dan een groot vasten dat na tien dagen wordt opgegeven met een gevoel van mislukking.

De vastentijden

Het jaar kent vier vastentijden. De Grote Vasten, die aan Pasen voorafgaat, duurt zeven weken: zes weken vasten en de Grote en Heilige Week. Zij begint op de maandag na de Vergevingszondag en is de strengste en tegelijk de rijkste tijd van het jaar, met de Liturgie van de Voorafgewijde Gaven op de weekdagen, het gebed van de heilige Efrem de Syriër en de boetecanon van de heilige Andreas van Kreta. De Apostelvasten begint een week na Pinksteren en eindigt op 29 juni, het feest van Petrus en Paulus; zij is dus elk jaar anders lang. De Vasten van de Moeder Gods duurt van 1 tot 14 augustus, voorafgaand aan haar Ontslaping. De Kerstvasten, ook Filippusvasten genoemd, begint op 15 november en duurt veertig dagen tot Kerstmis.

Daarnaast zijn de woensdag en de vrijdag door het jaar heen vastendagen: de woensdag als gedachtenis van het verraad, de vrijdag van de kruisiging. Enkele losse dagen komen daarbij: de Onthoofding van Johannes de Doper op 29 augustus, de Kruisverheffing op 14 september en de vooravond van Theofanie. Daar staan vastenvrije weken tegenover, onder andere de week na Pasen en de week na Pinksteren, waarin de Kerk uitdrukkelijk niet wil dat men vast.

Wie de Juliaanse kalender volgt, zoals de meeste Russische en Servische parochies, telt de vaste data dertien dagen later; de Kerstvasten begint dan op 28 november volgens de burgerlijke kalender. Het is goed te weten welke kalender de eigen parochie gebruikt.

Hoe men vast

Met mate, en zonder ophef. De Heer zegt het zelf: wie vast, moet zijn hoofd zalven en zijn gezicht wassen, zodat de mensen het niet zien. Vasten is een zaak tussen de mens en God. Wie er op zijn werk over begint, of op een verjaardag uitlegt waarom hij de taart laat staan, heeft er zelden iets mee gewonnen. Wie bij anderen te gast is en iets voorgezet krijgt wat niet bij de regel past, eet wat wordt voorgezet, zonder commentaar: de apostel schrijft dat de liefde de vervulling van de wet is, en de Vaders zeggen dat de gastvrijheid boven het vasten gaat. De volgende dag neemt men weer op wat men heeft losgelaten.

Wie begint, begint klein. Eerst de woensdag en de vrijdag, dan een van de kortere vastentijden, dan de Grote Vasten. Niet alles ineens, en niet met een tabel op de koelkast als enig kompas. Het gaat er niet om wat men niet eet, maar om wat men ermee doet: het gebed dat er de plaats van inneemt, de tijd die vrijkomt, het geld dat men uitspaart en weggeeft. En als het mislukt, en het mislukt bij iedereen wel eens, is er geen reden tot moedeloosheid. Men staat op en gaat verder; dat is de hele kunst.

Wie in een orthodoxe parochie de Grote Vasten meemaakt, ontdekt dat zij niet somber is. De diensten zijn langer en stiller, de gewaden zijn donker, maar de toon is die van verwachting. In de Paasnacht wordt het vasten met één zin opgeheven: Christus is opgestaan. Wie zeven weken heeft gevast, weet dan pas goed wat een feest is.

Over de biecht, die bij het vasten hoort, gaat het artikel Het mysterie van berouw.

Boeken bij dit artikel

Verder lezen