Gratis verzending in de Benelux vanaf € 50 Mijn account

Blog

Het Jezusgebed

‘Heer Jezus Christus, Zoon van God, ontferm U over mij, zondaar.’ Twaalf woorden, en in de Kerk worden zij al zestien eeuwen herhaald: door monniken in de Egyptische woestijn, door kluizenaars op de Sinaï en de Athos, door een Russische boer op weg naar Siberië, door mensen in Nederlandse treinen en keukens. Het Jezusgebed is het kortste gebed van de Kerk en tegelijk het gebed waarover het meest is geschreven. Wie er iets van wil begrijpen, moet er niet over lezen maar het bidden; toch helpt het om te weten waar het vandaan komt en wat de Vaders erover hebben gezegd.

Waar het vandaan komt

De woorden zijn uit het Evangelie. De blinde Bartimeüs riep bij Jericho: ‘Jezus, Zoon van David, ontferm U over mij’, en hij bleef roepen toen de mensen hem tot zwijgen wilden brengen. De tollenaar in de tempel durfde zijn ogen niet op te slaan en zei alleen: ‘God, wees mij, zondaar, genadig.’ Het Jezusgebed voegt die twee roepen samen en zet er de belijdenis van Petrus in: dat Jezus de Christus is, de Zoon van de levende God. Wie het bidt, zegt met weinig woorden alles wat de Kerk gelooft, en vraagt tegelijk het enige wat een mens werkelijk nodig heeft.

De woestijnvaders van de vierde eeuw zochten een manier om te doen wat de apostel Paulus vraagt: bidt zonder ophouden. Zij namen daarvoor korte zinnen uit de Schrift, die een mens bij zijn werk kan herhalen. Het Jezusgebed werd de belangrijkste daarvan. Op de Sinaï schreef de heilige Johannes Klimakos in de zevende eeuw dat de gedachtenis van Jezus één moet worden met de adem. Op de Athos ontwikkelden de hesychasten, de ‘zwijgenden’, in de veertiende eeuw een leer over het gebed van het hart die de heilige Gregorius Palamas tegen zijn critici heeft verdedigd. In de achttiende eeuw bundelden de heilige Nikodimos van de Athos en de heilige Makarios van Korinthe de teksten van de Vaders over het gebed in de Filokalia, en de heilige Paisij Velitsjkovski vertaalde die in het Slavisch. Zo kwam het gebed in Rusland, waar in de negentiende eeuw een onbekende pelgrim zijn openhartige verhalen erover opschreef. Dat boekje heeft meer mensen tot het Jezusgebed gebracht dan alle geleerde verhandelingen samen.

Hoe men het bidt

Eenvoudig. Men staat of zit, in een rustige hoek, liefst voor een ikoon, en zegt het gebed langzaam, met aandacht, zonder haast en zonder kunstgrepen. Wie de woorden zegt, denkt niet aan iets anders: niet aan een beeld van Christus, niet aan een gevoel dat moet komen, maar alleen aan Hem tot wie hij spreekt. Als de gedachten afdwalen, en zij dwalen af, brengt men ze zonder ergernis terug naar de woorden. Dat terugbrengen is het gebed zelf, niet een storing ervan.

Velen gebruiken een gebedssnoer, een komboskini of tsjotki met honderd knopen, om de aandacht bij het gebed te houden en de handen iets te doen te geven. Het is een hulpmiddel, geen voorwaarde. Ook het aantal is niet het doel; de heilige Theofan de Kluizenaar schreef dat men beter tien gebeden met aandacht kan zeggen dan honderd zonder. Een vaste tijd helpt: tien minuten ’s morgens en ’s avonds, elke dag, is meer waard dan een uur op zondag. Wie een regel heeft, houdt zich eraan op de dagen dat hij er geen zin in heeft; dan werkt hij het meest.

Daarnaast kan het gebed overal mee: onderweg, in de rij, bij eenvoudig werk, bij het wakker liggen. De Vaders spreken van de gedachtenis van God, die zo langzaam de hele dag doortrekt. Niemand hoeft daarvoor de wereld te verlaten. De heilige Gregorius Palamas heeft geleerd dat het onophoudelijke gebed niet alleen aan monniken is opgedragen maar aan alle christenen, en de pelgrim uit de verhalen was een boer met een verlamde arm.

Wat men niet moet doen

Op één punt waarschuwen de Vaders eensgezind: het Jezusgebed is geen techniek. De ademhalingsoefeningen en lichaamshoudingen die in sommige oude teksten worden beschreven, waren bedoeld voor ervaren monniken onder de hoede van een geestelijke vader, en de heilige Ignatij Brjantsjaninov schreef in de negentiende eeuw al dat men er zonder begeleiding beter van afblijft. Wie het gebed gebruikt om een bijzondere ervaring op te wekken, om warmte of licht of stilte te voelen, zoekt zichzelf en niet God; de Vaders noemen dat prelest, zelfbedrog, en het is gevaarlijker dan geen gebed. Wat men mag verwachten is iets anders: dat men langzaam zachter wordt, geduldiger, minder geneigd anderen te veroordelen. Dat is de vrucht, en zij groeit onopvallend, zoals alles wat God laat groeien.

Het Jezusgebed vervangt ook de Kerk niet. Het hoort bij de biecht en de communie, bij de Liturgie op zondag, bij de andere gebeden van de Kerk. De heilige Silouan de Athoniet, die het gebed bijna een halve eeuw dag en nacht heeft gebeden, zei dat één ding nodig is, de Heilige Geest, en dat Deze wordt gegeven aan wie zijn naaste liefheeft, ook zijn vijand. Het Jezusgebed leidt daarheen, als men het laat.

Boeken bij dit artikel

Verder lezen